Zwaar gewond door stommiteit: werkgever stopt loonbetaling

Een dakdekker raakt zwaargewond wanneer hij in zijn schuurtje zijn hand opblaast bij het maken van illegaal vuurwerk. Zijn werkgever vindt dat hij zijn arbeidsongeschiktheid aan zichzelf te danken heeft en stopt de loonbetaling. Maar mag dat ook?

Dat het niet al te snugger is om in een woonwijk zelf buskruit in elkaar te fröbelen, moge duidelijk zijn. Niet alleen loopt de dakdekker ernstige verwondingen op aan zijn rechterhand en pols, ook de politie start een onderzoek naar zijn explosieve liefhebberij.

En aangezien een ongeluk nooit alleen komt, haalt hij zich met het ongeluk ook het ongenoegen op de hals van de werkgever waarvoor hij al meer dan twintig jaar werkzaam is. Wanneer de werkgever van de bedrijfsarts hoort dat het heel lang zal duren voordat de dakdekker weer een dakpan kan leggen, besluit hij de loonbetaling te staken.

Loondoorbetaling

Wie niet kan werken door arbeidsongeschiktheid, heeft in Nederland gedurende twee jaar recht op minimaal 70 procent van het loon. Vaak zijn er in cao’s of arbeidsovereenkomsten bovendien afspraken gemaakt waardoor de werkgever in het eerste jaar dit wettelijk minimum moet aanvullen tot 100 procent van het loon. Zo ook in het geval van de onfortuinlijke dakdekker die onder de CAO Bouwbedrijf valt.

Wat zegt de wet?

Maar de werkgever hoeft volgens artikel 7:629 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek het loon niet door te betalen wanneer er sprake was van opzet gericht op het veroorzaken van arbeidsongeschiktheid. De werkgever vindt de werknemer met het maken van buskruit zo’n groot risico heeft genomen, dat je kunt spreken van voorwaardelijke opzet.

De werknemer had echter natuurlijk helemaal niet de bedoeling om zijn hand de vernieling in te helpen. Hij wilde knallend het nieuwe jaar in en vervolgens weer aan het werk gaan. Geen opzet, dus geen reden om de loonbetaling te staken, aldus de werknemer.

Bovendien vindt hij dat zijn baas er wel erg lang over heeft gedaan om te besluiten zijn loonbetaling te staken. Het ongeluk vond plaats op 8 november 2020 en pas ruim anderhalve maand later, op 29 december 2020, laat zijn baas hem weten dat hij geen salaris meer verdient.

Wanneer een werkgever van mening is dat hij reden heeft om de loonbetaling te staken, dan moet hij de werknemer daar volgens artikel 7:629 lid 7 ‘onverwijld kennis van geven’.

Oordeel van de kantonrechter

Arbeidsrecht is geen strafrecht. Dus waar in het strafrecht ‘voorwaardelijke opzet’ ook voldoende kan zijn voor een veroordeling, moet arbeidsongeschiktheid echt moedwillig zijn veroorzaakt, wil een werknemer zijn recht op loon verliezen. Dat is hier volgens de kantonrechter niet aan de orde.

Ook het feit dat de werkgever niet onmiddellijk heeft laten weten dat hij van plan is de loonbetaling te staken, is volgens de kantonrechter tegen de wet. Op 20 november heeft de vrouw van de werknemer uit de doeken gedaan hoe haar man precies gewond is geraakt. De werkgever had toen dus kunnen weten dat hij niet van plan was om loon te betalen aan iemand die zijn eigen hand opblaast.
Volgens de werkgever moest hij volgens het bedrijfsreglement eerst het advies van de bedrijfsarts afwachten, voordat hij dit besluit kon nemen. Die vlieger gaat echter niet op. Een bedrijfsreglement kan er niet voor zorgen dat de wet ruimer wordt uitgelegd ten nadele van de werknemer.

Loondoorbetaling, maar hoe veel?

De kantonrechter oordeelt dus dat de werknemer recht heeft op loon. Maar krijgt hij 100 procent of moet hij genoegen nemen met 70 procent? De De CAO Bouwbedrijf bevat bij arbeidsongeschiktheid een suppletieregeling tot 100 procent van het loon. Bij het vaststellen van de cao hebben de onderhandelaars geen norm vastgesteld voor korting van die suppletie in een geval als het onderhavige.

De kantonrechter sluit niet uit dat de rechter in een mogelijke bodemprocedure oordeelt dat het onbillijk is dat de werkgever opdraait voor 100 procent van het loon. De loonvordering wordt daarom toegewezen tot 70 procent van het toekomende loon.

Rechtbank Noord-Nederland | ECLI:NL:RBNNE:2021:148

Bron: PW.nieuwsbrief