Zonder compensatie hoeft werkgever slapend dienstverband niet te ontbinden

Een werkgever die tegen de wens van een werknemer in een slapend dienstverband in stand hield, hoeft van de rechter geen schadevergoeding te betalen. Volgens de werknemer liep zij door de weigering van de werkgever haar transitievergoeding mis.

De werknemer valt in 2007 voor het eerst uit met psychische klachten. Haar werkgever betaalt twee jaar lang haar loon door. In 2009 wordt zij door het UWV minder dan 35 procent arbeidsongeschikt verklaard. De werknemer, een receptioniste, hervat haar werk en werkt eerst 24 uur en later 26 uur per week.

Op 13 oktober 2014 valt ze weer uit met dezelfde klachten, dit keer voorgoed. De werkgever vraagt een WIA-uitkering voor haar aan, maar deze wordt afgewezen. De werknemer, haar behandelend arts en de bedrijfsarts achten haar echter volledig arbeidsongeschikt. De werknemer tekent daarom bezwaar aan tegen de afwijzing van het UWV. Hierop besluit het UWV in 2015 alsnog om met terugwerkende kracht vanaf 13 oktober 2014 een WIA-uitkering toe te kennen op basis van 53,59 procent arbeidsongeschiktheid.

De werkgever heeft sinds 13 oktober 2014 geen loondoorbetalingsverplichting meer.

In de jaren die daarop volgen gaat de gezondheid van de werknemer achteruit. In november 2017 verklaart het UWV haar voor 80 tot 100 procent arbeidsongeschikt.

Inhoudsloos dienstverband

Op 23 oktober 2020 – haar pensioengerechtigde leeftijd nadert dan met rasse schreden – vraagt de werknemer schriftelijk om beëindiging van de arbeidsovereenkomst onder toekenning van de transitievergoeding. De werkgever reageert niet inhoudelijk op dit verzoek. Op 14 december 202 eindigt de arbeidsovereenkomst van rechtswege omdat de werknemer de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt.

De werknemer vindt dat haar werkgever geen gerechtvaardigd belang had bij het in stand houden van de arbeidsovereenkomst. De arbeidsovereenkomst was immers al sinds 2014 inhoudsloos. Door niet mee te werken aan het beëindigen van de arbeidsovereenkomst, onder betaling van de transitievergoeding, heeft de werkgever zich niet als goed werkgever gedragen, zo stelt zij. Ze vraagt daarom een schadevergoeding ter hoogte van de transitievergoeding.

Slapend dienstverband

Als het gaat om slapende dienstverbanden en goed werkgeverschap, dan zijn een paar factoren van belang. Allereerst de invoering van de Wet werk en zekerheid (WWZ) op 1 juli 2015. Hiermee deed de transitievergoeding zijn intrede. Werkgevers moeten een transitievergoeding betalen wanneer de arbeidsovereenkomst op hun initiatief wordt beëindigd.

Maar, en hierin zit hem het venijn voor werkgevers, die transitievergoeding moet ook worden betaald wanneer de arbeidsovereenkomst eindigt omdat de werknemer wegens arbeidsongeschiktheid omdat de werknemer de arbeid als gevolg van ziekte of arbeidsongeschiktheid niet langer kan verrichten en herplaatsing in andere passende arbeid niet mogelijk is.

Veel werkgevers die al twee jaar loon hebben betaald voor een arbeidsongeschikte werknemer, ervaren het als oneerlijk als ze daarna ook nog opdraaien voor de wettelijke transitievergoeding. Een aantal koos er daarom voor om na die twee jaar de werknemer in dienst te houden. Er was geen loondoorbetalingsverplichting meer, maar omdat de arbeidsovereenkomst niet werd beëindigd, was er ook geen verplichting om de transitievergoeding te betalen.

Verschillende kantonrechters oordeelden verschillend over de vraag of het past bij goed werkgeverschap om op deze manier de werknemer de transitievergoeding te ontzeggen.

Xella-uitspraak

Aan die onduidelijkheid kwam een einde met de Xella-uitspraak van de Hoge Raad. Op 8 november 2019 deed de Hoge Raad dat een werkgever op grond van goed werkgeverschap in moet stemmen met een voorstel van de werknemer tot beëindiging van het slapend dienstverband met wederzijds goedvinden.

De werkgever moet de werknemer dan een vergoeding betalen die net zo hoog is als de wettelijke transitievergoeding zou zijn geweest. Deze vergoeding hoeft niet hoger te zijn dan wat de werkgever had moeten betalen aan het einde van de wachttijd. Dit is het moment waarop de werkgever voor het eerst de arbeidsovereenkomst had mogen beëindigen wegens de arbeidsongeschiktheid van de werknemer.

Wet compensatie transitievergoeding

De Hoge Raad verwees hierbij nadrukkelijk naar de  invoering van de Wet compensatie transitievergoeding. Sinds 1 april 2020 kan een werkgever bij het UWV een verzoek tot compensatie indienen wanneer hij een werknemer na twee jaar arbeidsongeschiktheid een transitievergoeding betaalt. De wet geldt met terugwerkende kracht. Dat betekent dat ook compensatie kan worden aangevraagd voor arbeidsovereenkomsten die zijn beëindigd vóór 1 april 2020, maar ná de invoering van de WWZ op 1 juli 2015.

Oordeel van de kantonrechter

Voor de receptioniste uit deze zaak is dit slecht nieuws. Want de kantonrechter komt tot de conclusie dat zij geen recht heeft op een schadevergoeding. En dat heeft allemaal te maken met een eerdere uitspraak van het gerechtshof Amsterdam. Deze heeft namelijk op 26 januari en 16 februari 2021 geoordeeld dat een werkgever alleen mee hoeft te werken aan de beëindiging van een slapend dienstverband als hij een beroep kan doen op de compensatieregeling.

De compensatieregeling gaat uit van het bereiken van het einde van de wachttijd. In het geval van de receptioniste is dat 13 oktober 2014, dus voor de invoering van de WWZ. De werkgever heeft daarom geen recht op compensatie van de transitievergoeding.

De werkgever is onder die omstandigheden verplicht op grond van goed werkgeverschap om in te stemmen met een beëindigingsvoorstel van een werknemer.

Rechtbank Midden-Nederland | ECLI:NL:RBMNE:2021:2959

Bron: PW.nieuwsbrief