Vakantiedagen afschrijven mag niet: werknemer heeft recht op recuperatie

Een werkgever wordt zwaar getroffen door de coronacrisis en zoekt naar oplossingen om de liquiditeitsproblemen het hoofd te bieden. Ook van de werknemers wordt een offer verlangd. Zo wordt de loonsverhoging die in de cao is afgesproken uitgesteld, en snijdt de werkgever onder meer in de opbouw van bovenwettelijke vakantiedagen. Maar dat gaat zomaar niet.

Het bedrijf neemt verschillende maatregelen om de liquiditeitspositie te verbeteren. Om te beginnen vraagt de werkgever NOW. De directie wordt gevraagd om een loonoffer en ook van de verhuurder van het bedrijfspand wordt coulance verwacht.

Ook de medewerkers ontkomen niet aan de bezuinigingsdrift. Volgens cao-afspraken hebben de werknemers in 2020 twee keer recht op een loonsverhoging: 3 procent met ingang van 1 april en nog eens 2 procent vanaf 1 oktober. De werkgever wil deze loonsverhogingen uitstellen tot januari 2021. Daarnaast wil de werkgever snijden in de opbouw van bovenwettelijke vakantiedagen en in de vakantiestuwmeren die in voorgaande jaren zijn opgebouwd.

Instemming ondernemingsraad

De ondernemingsraad stemt in met het besluit en daarmee lijkt het een voldongen feit te zijn. In de arbeidsovereenkomsten is een zogenaamd incorporatiebeding opgenomen. Hierdoor maakt het arbeidsvoorwaardenstelsel van het bedrijf deel uit van alle individuele arbeidsovereenkomsten.

Het arbeidsvoorwaardenstelsel kent een eenzijdig wijzigingsbeding. Maar omdat de ondernemingsraad het eens is met de offers die van de werknemers worden verwacht, is er volgens de werkgever geen sprake van een eenzijdige wijziging van het arbeidsvoorwaardenstelsel, maar van een tweezijdige wijziging. Het incorporatiebeding betekent dat de wijziging bindend is voor alle werknemers.

Naar de rechter

Niet alle werknemers voelen zich even opofferingsgezind. Zes werknemers stappen naar de rechter om de ingreep in hun arbeidsvoorwaarden aan te vechten. Na gedurende langere tijd op de nullijn te hebben gezeten, hadden de werknemers eindelijk een loonsverhoging in het vooruitzicht. Zij hebben daar op geanticipeerd met hun uitgaven, maar voorlopig krijgen ze er alsnog geen cent bij. Dit is een loonoffer dat niet zomaar kan worden afgedwongen, aldus de werknemers.

Ook willen ze dat hun werkgever van hun vakantiedagen afblijft. Door dagen in te leveren worden de werknemers belemmerd in hun recuperatie. Daarnaast hebben sommigen van hen de dagen nodig om mantelzorg te kunnen verlenen of om eerder met pensioen te kunnen gaan.

Het ene incorporatiebeding is het andere niet

Daar komt nog bij dat de werkgever volgens de werknemers ten onrechte schermt met het incorporatiebeding. Het incorporatiebeding in deze zaak is statisch, niet dynamisch en dat is een belangrijk verschil.

Een dynamisch incorporatiebeding betekent dat ook toekomstige wijzigen van het arbeidsvoorwaardenstelsel worden geïncorporeerd in de individuele arbeidsvoorwaarden. Een statisch beding heeft alleen betrekking op de arbeidsvoorwaarden die gelden op het moment dat de arbeidsovereenkomst wordt gesloten.

Oordeel van de kantonrechter

Omdat het incorporatiebeding inderdaad niet dynamisch is, mocht de werkgever er niet zomaar van uit gaan dat werknemers op voorhand instemmen met toekomstige wijzigingen van het arbeidsvoorwaardenstelsel. Ook hebben ze niet automatisch de OR toestemming gegeven om namens hen in te stemmen met wijziging van het arbeidsvoorwaardenstelsel. De kantonrechter is van oordeel dat het hier wel degelijk om een eenzijdige wijziging gaat.

De regels van een eenzijdig wijzigingsbeding zijn vastgelegd in artikel 7:613 van het Burgerlijk Wetboek. Wanneer de belangen van een werknemer worden geschaad door de wijziging van de arbeidsvoorwaarden, moet de werkgever daar een zwaarwichtige reden voor hebben.

Wanneer het gaat om het uitstel van de procentuele loonsverhogingen, dan is de kantonrechter van mening dat de acute financiële problemen van de werkgever inderdaad een zo zwaarwegend belang inhouden, dat de belangen van de werknemers moeten wijken. Het gaat immers om uitstel, niet om afstel van de loonsverhoging. Daarbij speelt mee dat een deel van de loonsverhoging die per 1 april moest worden toegekend al in december 2019 is ingevoerd.

Recht op recuperatie

Anders is het wanneer het gaat om het afschrijven van de vakantiedagen en het niet toekennen van bovenwettelijke vakantiedagen in de tweede helft van 2020. Nationale en Europese wet- en regelgeving stelt dat vakantiedagen als een belangrijke arbeidsvoorwaarde moet worden beschouwt. Werknemers hebben recht op recuperatie zodat zij hun werk optimaal kunnen blijven vervullen. De eisers in deze zaak hebben ook tijdens de lockdown gewoon doorgewerkt en hadden het daarbij zelfs drukker dan voor de coronacrisis door het beëindigen van tijdelijke arbeidsovereenkomsten van collega’s. Het belang van de werkgever is niet zwaarwichtig genoeg om deze wijziging van de arbeidsovereenkomst te rechtvaardigen.

Rechtbank Rotterdam | ECLI:NL:RBROT:2021:3754

Bron: PW.nieuwsbrief