Ruzie om mondkapje kost chauffeur zijn baan [2]

Een ruzie tussen een werkgever en een werknemer die weigerde een mondkapje te dragen, is opnieuw in de rechtszaal uitgevochten. Eerder oordeelde de kantonrechter al dat de werkgever het loon mocht opschorten van de werknemer (zie hiernaast: “GEEN LOON VOOR MEDEWERKER BANKETBAKKERIJ ZOLANG HIJ MONDKAPJE WEIGERT”).

Nu is ook de arbeidsovereenkomst ontbonden. Maar de werkgever, een bakkerij, moet wel diep in de buidel tasten voor dit ontslag.

Hoe het begon. Nog voordat de regering het dragen van mondkapjes in openbare gebouwen verplicht stelt, geeft de werkgever in deze zaak zijn medewerkers al de instructie om tijdens het werk mond en neus te bedekken. Een van de chauffeurs van de bakkerij weigert dit: hij zit het grootste deel van de dag in zijn eentje in de bestelbus en wanneer hij in een van de vestigingen moet zijn, zorgt hij ervoor dat hij afstand bewaart tot zijn collega’s.

Hoewel hij verschillende keren mondeling en schriftelijk wordt gewezen op de instructies, volhardt hij in zijn weigering. De werkgever schort de loonbetaling op omdat de werknemer weigert instructies op te volgen.

De kantonrechter stelt de werkgever in het gelijk. Daarbij stelt de kantonrechter nadrukkelijk dat wanneer de werknemer zich onvoorwaardelijk bereid toont om de instructie op te volgen, er geen grond meer is om het loon op te schorten en de werknemer op non-actief te stellen.

Verstoorde arbeidsverhouding

Na de uitspraak van de kantonrechter laat de werknemer zijn baas weten dat hij bereid is zijn werk te hervatten, mét mondkapje. De werkgever heeft er echter tabak van en doet een voorstel voor een neutraal geformuleerde beëindigingsovereenkomst, waarbij de WW-rechten worden veiliggesteld. De werkgever biedt aan achterstallig salaris te betalen voor de functie van bezorger, plus de wettelijke transitievergoeding en een aanvullende vergoeding van zevenhonderd euro.

De werknemer gaat hiermee niet akkoord. Hij maakt aanspraak op achterstallig loon voor een beter betaalde functieschaal dan de werkgever biedt (chauffeur, in plaats van bezorger) en een aanvullende vergoeding van 17.500 euro.

Nu is het de werkgever die niet akkoord gaat. Hij trekt het aanbod voor een beëindigingsovereenkomst in en zegt de werknemer de volgende dag om zeven uur ’s ochtends op zijn werk te verwachten. De werknemer wil eerst een gesprek met zijn werkgever om de ’kou uit de lucht te halen’. Maar die lucht heeft ondertussen arctische temperaturen. De werkgever staakt de loonbetaling en zet een ontbindingsprocedure in gang. De redenen die hiervoor volgens hem aan ten grondslag liggen zijn verwijtbaar handelen (ontslaggrond e) en een verstoorde arbeidsverhouding (ontslaggrond g).

Oordeel van de kantonrechter

Waar de werknemer tijdens de eerste rechtszaak nog werd beschouwd als de aanstichter van de problemen, legt de kantonrechter de schuldkaart nu duidelijk bij de werkgever. Die heeft, nadat de werknemer heeft aangegeven voortaan te willen werken met mondkapje, niet zijn best gedaan om de verstandhouding te verbeteren.

De werkgever had professioneel moeten zijn en het gesprek moeten aangaan met de werknemer. In plaats daarvan deed de werkgever een beëindigingsvoorstel, waarvan hij wist dat de werknemer dit niet kon accepteren.

Daarna zette de werkgever de verhoudingen opnieuw onnodig op scherp. Allereerst door te eisen dat de werknemer de volgende dag om zeven uur paraat zou zijn. Door ook nog een verzoek om een gesprek naast zich neer te leggen en de loonbetaling te staken, heeft de werkgever de boel laten escaleren.

De kantonrechter concludeert dat het wederzijds wantrouwen inmiddels zo hoog is opgelopen, dan er geen basis meer is voor een vruchtbare samenwerking. De arbeidsovereenkomst wordt daarom ontbonden, maar niet wegens verwijtbaar handelen van de werknemer. Het is de werkgever die ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en dat gaat hij in zijn portemonnee voelen.

De werknemer heeft recht op de wettelijke transitievergoeding van en kleine drieduizend euro bruto. Daarnaast wijst de kantonrechter hem een billijke vergoeding van drieduizend euro toe. Ook moet de werkgever de proceskosten van de werknemer betalen.

Omdat de werkgever de werknemer jarenlang niet volgens de cao heeft betaald, heeft de werknemer recht op ruim 25 duizend euro bruto aan achterstallig salaris en bedrijfskledingvergoeding, vermeerderd met 8 procent vakantiegeld en de wettelijke verhoging van 15 procent.

Rechtbank Midden-Nederland | ECLI:NL:RBMNE:2021:863

Bron: PW.nieuwsbrief