Geen ontbinding arbeidsovereenkomst wegens bedrijfseconomische redenen. Niet voldaan aan herplaatsingsvereiste. Onvoldoende herplaatsingsinspanningen verricht.

Feiten

Werkgever is een fabrikant van 3D-beeldvorming en draagbare meetoplossingen. Werkgever heeft wereldwijd verschillende vestigingen, waaronder in Nederland.

Werkneemster is sinds 1 april 2014 werkzaam bij werkgever in de functie van businessassistant. Zij maakt deel uit van het wereldwijde HR-team. Dit HR-team wordt vanuit het hoofdkantoor te Florida aangestuurd door de Chief People Officer.

Op 14 februari 2020 heeft de raad van bestuur van de werkgever Groep besloten om wereldwijd een herstructurering en daarmee strategische heroriëntatie op de markt door te voeren, hetgeen zou moeten leiden tot een verlaging van kosten en een vergroting van de efficiëntie en het concurrentievermogen. Begin april 2020 is aan werkneemster meegedeeld dat haar taken in Nederland komen te vervallen. Werkgever heeft in mei 2020 toestemming aan het UWV gevraagd om de arbeidsovereenkomst met werkneemster op te zeggen vanwege bedrijfseconomische redenen.

Bij beslissing van 18 augustus 2020 heeft het UWV de gevraagde toestemming geweigerd. Daartoe overwoog het UWV dat niet inzichtelijk is gemaakt dat er een noodzaak is om wereldwijd kosten te besparen, een reorganisatieplan voor het vervallen van vijfhonderd arbeidsplaatsen waaronder drie arbeidsplaatsen in de functie van businessassistant ontbreekt en niet duidelijk is geworden dat het voor een doelmatigere bedrijfsvoering van werkgever noodzakelijk is dat de functie van businessassistant in de onderneming komt te vervallen.

De kantonrechter heeft het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst afgewezen. Werkgever is hiervan in hoger beroep gekomen.

Oordeel

Herplaatsing

Het hof is van oordeel dat niet aan het herplaatsingsvereiste is voldaan vanwege het volgende. Werkgever heeft zijn stelling actief te hebben gezocht naar een passende functie voor werkneemster onvoldoende onderbouwd. Werkgever stelt een overzicht van vacatures te hebben verstrekt aan werkneemster, maar wist desgevraagd op de zitting in hoger beroep niet meer wanneer dit zou zijn gebeurd. Werkneemster heeft toegelicht niet eerder dan in deze gerechtelijke procedure een dergelijk overzicht te hebben ontvangen. Hoe dan ook is het enkel verstrekken van een overzicht van vacatures naar het oordeel van het hof onvoldoende voor het voldoen aan de inspanningsverplichting tot herplaatsing.

Werkgever heeft ter zitting nog gesteld ergens vorig jaar in Amerika voor werkneemster te hebben geïnformeerd naar de functie contractmanager sales. Werkneemster heeft deze stelling ter zitting betwist en toegelicht daarover nooit (eerder) iets te hebben gehoord. Deze stelling van werkgever is naar het oordeel van het hof te vaag. Zo is niet toegelicht wanneer en met wie een dergelijk gesprek zou hebben plaatsgevonden. Het hof gaat daarom aan deze stelling voorbij. Nadat duidelijk werd dat werkneemster boventallig zou worden, heeft werkgever nagelaten samen met haar in gesprek te gaan om te inventariseren wat haar wensen en mogelijkheden voor een eventuele herplaatsing zijn.

Mede gezien de brede inzetbaarheid en talenkennis van werkneemster viel de mogelijkheid dat er binnen redelijke termijn een andere passende functie voor haar was binnen werkgever wereldwijd niet bij voorbaat uit te sluiten. Daarbij betrekt het hof dat (onbetwist) er ondanks de reorganisatie meer dan honderd vacatures zijn geweest. Werkgever mocht er naar het oordeel van het hof niet van uitgaan dat het geen zin had om andere mogelijke functies met werkneemster te bespreken.

Gezien het voorgaande is niet voldaan aan het herplaatsingsvereiste. Dit betekent dat het hof de arbeidsovereenkomst niet zal ontbinden, ook niet indien de grieven van werkgever die betrekking hebben op de a-grond zouden slagen.

a-grond

Over de a-grond merkt het hof nog het volgende op. Indien werkgever zou worden gevolgd in zijn betoog dat het besparen van 17,7 miljoen USD op personeelskosten door vijfhonderd personen te ontslaan noodzakelijk was voor een doelmatige bedrijfsvoering, dan nog heeft werkgever daarmee niet toegelicht waarom het nodig was dat de arbeidsplaatsen van de door hem aangewezen businessassistants, onder wie die van werkneemster, kwamen te vervallen. Volgens werkgever was er in Europa een team met acht businessassistants. In zijn verzoekschrift in de eerste aanleg heeft werkgever in onderdeel 12 toegelicht dat er daarvan drie boventallig zijn geworden. Uit de presentatie waarnaar werkgever in hoger beroep verwijst, blijkt echter dat er negen businessassistants zijn van wie er vier boventallig zijn verklaard. Van de negen businessassistants zaten er volgens deze productie twee in Duitsland. Volgens een andere productie, een organigram van het HR, waren er echter drie businessassistants in Duitsland. De informatie van werkgever over het aantal businessassistants in Europa is daarmee niet consistent.

Desgevraagd heeft werkgever ter zitting in hoger beroep toegelicht dat de term “businessassistant” binnen werkgever een generieke term is die wordt gebruikt in allerlei documenten voor functies met verschillende inhoud. De drie in het organigram genoemde functies zijn volgens werkgever geen echte functies van businessassistant. Indien businessassistants binnen werkgever verschillende (en daarmee niet vergelijkbare) functies hebben, en/of het aantal businessassistants niet vastligt, dan is naar het oordeel van het hof de keuze van werkgever welke businessassistants weg moesten voor een goede bedrijfsvoering, niet te toetsen. Daarmee heeft werkgever onvoldoende toegelicht dat het nodig was dat de functie van werknemer zou komen te vervallen.

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (Locatie ‘s-Hertogenbosch), 9 september 2021
ECLI:NL:GHSHE:2021:2816

Bron: VAAN