De aanvraag voor compensatie betaalde transitievergoeding is terecht afgewezen.

Niet is voldaan aan de voorwaarde dat de arbeidsovereenkomst is beëindigd wegens langdurige arbeidsongeschiktheid.

Het gaat in deze zaak om de vraag of UWV terecht de aanvraag van de werkgever om compensatie van de door de werkgever aan de werknemer betaalde transitievergoeding van € 4.262,13 (bruto) heeft afgewezen, omdat niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 7:673e, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) dat de arbeidsovereenkomst is beëindigd wegens langdurige arbeidsongeschiktheid van de werknemer. De Centrale Raad van Beroep beantwoordt die vraag in deze uitspraak bevestigend.

Recht op compensatie als…

Zoals de Centrale Raad eerder heeft overwogen, moet om op grond van artikel 7:673e, eerste lid, van het BW voor compensatie in aanmerking te komen zijn voldaan aan de voorwaarde dat de werkgever in verband met het beëindigen van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:673 van het BW een transitievergoeding verschuldigd is én de arbeidsovereenkomst is beëindigd na de periode, bedoeld in artikel 670, lid 1, onderdeel a, en lid 11, omdat de werknemer wegens ziekte of gebreken niet meer in staat was de bedongen arbeid te verrichten. Als aan deze (cumulatieve) voorwaarden is voldaan, verstrekt UWV op verzoek van de werkgever een compensatie.

Einde arbeidsovereenkomst na 2 jaar vanwege ziekte

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat in dit geval niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 7:673e, eerste lid, van het BW dat de arbeidsovereenkomst is beëindigd na de periode van twee jaar omdat de werknemer wegens ziekte of gebreken niet meer in staat was de bedongen arbeid te verrichten.

Beëindiging arbeidsovereenkomst niet vanwege langdurige ziekte

UWV heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat uit de stukken niet volgt dat de langdurige arbeidsongeschiktheid voor de werkgever de reden voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst is geweest. Bij brief van 30 november 2015 is zowel de beëindiging van de vennootschapsrechtelijke rechtsverhouding als de opzegging van de arbeidsovereenkomst, met inachtneming van de toepasselijke opzegtermijn, bevestigd.

Beëindiging vanwege verstoorde arbeidsrelatie

De werkgever heeft dit ter zitting ook erkend. Voor de gronden voor deze opzegging is verwezen naar agendapunt 3 bij de notitie van de Buitengewone Algemene Vergadering van Aandeelhouders. Uit de bewoordingen bij punt 2 van de notitie, in onderling verband en samenhang bezien, volgt dat er door een verschil van inzicht over de functievervulling en de opstelling van en de wijze van communiceren door de werknemer een verstoorde arbeidsrelatie is ontstaan, en dat dit de reden voor beëindiging van zowel het statutair bestuurder schap als de arbeidsovereenkomst is geweest.

Uitdrukkelijk en uitsluitend beëindiging vanwege h-grond

De rechtbank heeft daarbij terecht de volgende passage onder punt 2 aangehaald:

“Op grond van het vorenstaande doet zich de situatie voor van artikel 7:669, derde lid, aanhef en onder h, van het BW, meer in het bijzonder dat het gebrek aan vertrouwen in [A.] zodanig is dat van [naam BV] in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst met hem te laten voortduren.”

Hieruit volgt dat de werkgever aan de beëindiging van de arbeidsovereenkomst uitdrukkelijk en uitsluitend de h-grond en niet de b-grond van artikel 7:669, derde lid, van het BW ten grondslag heeft gelegd. Het betoog dat de langdurige arbeidsongeschiktheid van de werknemer (mede) aan de beëindiging van de arbeidsovereenkomst ten grondslag lag, slaagt dan ook niet.

Ziekte ligt niet ten grondslag aan einde contract

Het beroep van de werkgever op de uitspraak van Rechtbank Den Haag van 18 september 2023 slaagt niet. De situatie in die zaak wijkt af van de situatie in de zaak van de werkgever in die zin dat in die zaak er in de stukken aanknopingspunten waren te vinden voor de juistheid van het standpunt van betrokkene dat de langdurige ziekte van de werknemer de reden voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst was en is dat, na bewijslevering, aannemelijk geacht. In de onderhavige zaak is dat juist niet het geval.

Uitspraak Centrale Raad van Beroep, 15 februari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:303

Bron: Salaris Vanmorgen