Bestuurder weigert al een jaar zonder gegronde reden achterstallig loon/ziekengeld te betalen. Persoonlijk ernstig verwijt bestuurder. Vordering werkneemster van € 22.468,70 toegewezen.

Feiten

X is enig aandeelhouder en bestuurder van BV 1, een organisatieadviesbureau dat zich onder andere bezighoudt met het verlenen van adviezen en diensten met betrekking tot HR-werkzaamheden. Werkneemster is op 29 juli 2019 in dienst getreden bij BV 1. De arbeidsovereenkomst is van rechtswege geëindigd op 28 februari 2020. Bij beschikking van 30 juni 2020 van de kantonrechter Amsterdam is BV 1 veroordeeld tot betaling aan werkneemster van onder meer € 10.905,80 aan achterstallig loon/ziekengeld. Het vonnis is in kracht van gewijsde gegaan. BV 1 heeft niet aan werkneemster betaald en meegedeeld dat zij niet (meer) over liquide middelen beschikt. Zij heeft verder meegedeeld te willen kijken of een externe financiering mogelijk was als werkneemster met betaling van een bedrag ad € 7.500 akkoord zou gaan. BV 1 heeft geen melding(en) gedaan aan de fiscus ter zake van betalingsonmacht en geen jaarstukken gedeponeerd. Werkneemster vordert dat de kantonrechter X veroordeelt tot betaling van € 22.468,70. Werkneemster legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat BV 1 weigert om uitvoering te geven aan het vonnis van 30 juni 2020 en dat X als enig aandeelhouder en bestuurder hiervan een persoonlijk ernstig verwijt valt te maken. X betwist de vordering. Hij voert aan – samengevat – dat BV 1 al lange tijd niet meer winstgevend is en dat voor zover BV 1 uit de NOW-regeling inkomsten heeft ontvangen, die niet kunnen worden aangewend om werkneemster te betalen.

Oordeel

Het staat vast dat werkneemster recht heeft op betaling van haar vordering en dat BV 1 betaling heeft nagelaten. Werkneemster stelt dat BV 1 andere vorderingen/betalingen wel heeft voldaan en van betalingsonmacht niet is gebleken. X voert aan dat bij BV 1 sprake is van betalingsonmacht. Dat BV 1 al lange tijd niet meer winstgevend is, blijkt volgens X uit het feit dat het beslag op de rekening van BV 1 slechts € 339,75 heeft geraakt, de aan werkneemster aangeboden € 7.500 uit een externe financiering betaald zou worden en er ook voor de vordering van de andere werknemer te weinig geld was waarna eerst onder druk van een faillissementsaanvraag aan deze vordering is voldaan. De kantonrechter is van oordeel dat niet is gebleken van betalingsonmacht. Het had op de weg van X gelegen om aannemelijk te maken dat BV 1 niet in staat was te betalen. Hij heeft immers de volledige zeggenschap over de nalatige vennootschap. Met de enkele – niet onderbouwde – stelling dat BV 1 al lange tijd niet meer winstgevend is en de verwijzing naar genoemde omstandigheden heeft X niet aan de verzwaarde motiveringsplicht voldaan. X heeft verder onvoldoende weersproken dat BV 1 andere vorderingen (waaronder een andere ex-werknemer en de Belastingdienst) wel heeft betaald. X erkent dat BV 1 vanaf 10 juli 2020 overheidssteun van de NOW-regeling ten bedrage van € 353.086,00 heeft ontvangen. Nu X al een jaar zonder (gegronde) reden weigert het achterstallig loon/ziekengeld (en overige vergoedingen) uit te betalen, heeft hij zodanig onzorgvuldig gehandeld dat hem een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. De vordering van werkneemster, een bedrag van € 22.468,70 zal daarom worden toegewezen.

Bron: VAAN