Bedrijf ontslaat werknemer op staande voet, neemt hem aan als zzp’er

 Een werknemer wordt op staande voet ontslagen, maar wordt binnen een paar dagen ingeschakeld om als zzp’er dezelfde werkzaamheden uit te voeren. Hij stapt naar de rechter om aanspraak te maken op de transitievergoeding, een billijke vergoeding en de gefixeerde schadevergoeding.

De werknemer is op 1 februari 2019 begonnen als medewerkers schoonmaakonderhoud bij een bedrijf dat zich onder andere bezighoudt met het opruimen van bouwplaatsen gedurende de uitvoering van werkzaamheden. Hij heeft een min-maxcontract voor minimaal acht uur per week. Met ingang van mei 2020 is het contract omgezet naar een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

Ontslag op staande voet

Ondanks de contractverlenging, is de werkgever niet altijd tevreden over de inzet van de werknemer. Zo krijgt hij in 2020 op 21 april, 5 juni, 30 juli en 30 september officiële waarschuwingen voor in totaal twintig keer te laat inklokken op het werk. Maar volgens de werkgever heeft de werknemer meer op zijn kerfstok dan alleen nonchalante houding ten opzichte van de prikklok. Ook zou hij de bedrijfsbus gebruiken voor privéritten en zou hij zelfs hebben gestolen van de bouwplaatsen. Op 28 december 2020 is de maat vol. De werknemer wordt op staande voet ontslagen.

Aan de slag als zzp’er

Hoewel de werknemer is gewaarschuwd dat hij zijn leven moet beteren of zijn baan zal verliezen, komt het ontslag op staande voet toch als donderslag bij heldere hemel. Hij erkent dat hij wel eens te laat komt, maar volgens hem gaat dat om een paar minuten per keer, die hij bovendien direct inhaalt. Hij gebruikt de bus inderdaad incidenteel voor woon-werkverkeer of om bezoek te gaan bij zijn moeder, maar dit zijn korte ritten. Volgens hem heeft hij daar toestemming voor. Hetzelfde geldt voor het meenemen van koperen leidingen van sloopterreinen. Ook hiervoor zou hij toestemming hebben. Van diefstal is dus geen sprake.

Volgens de werknemer heeft de werkgever een heel andere reden voor het ontslag op staande voet. Het bedrijf wil niet van hem, maar van de arbeidsovereenkomst af. En dat zou blijken dat de werkgever al tijdens het ontslaggesprek op 28 december heeft aangegeven de werknemer vanaf 1 januari 2021 te willen inzetten als zzp’er.

En hoewel de werknemer zich inderdaad als zzp’er laat inhuren, zit het ontslag op staande voet hem toch niet lekker. Op 22 februari 2021 maakt zijn advocaat namens hem bezwaar tegen het ontslag. De werkgever weigert dit terug te draaien, waarop een gang naar de rechter volgt.

Oordeel van de kantonrechter

Ook de kantonrechter vindt dat de werkgever op zijn minst de schijn tegen heeft. Toegegeven, de werkgever maakt de werknemer vele verwijten, maar huurt hem vrijwel direct in als zzp’er voor werkzaamheden die hij eerder als werknemer uitvoerde. De kantonrechter concludeert hieruit dat de gedragingen dus niet zo ernstig waren dat deze ontslag op staande voet rechtvaardigen.

Het ontslag op staande voet is daarom onterecht. De werknemer heeft daarom recht op de wettelijke transitievergoeding en de gefixeerde schadevergoeding ter hoogte van twee maandsalarissen.

Billijke vergoeding

Maar de werknemer heeft ook gevraagd om een billijke vergoeding van € 11.178,17 bruto. Hij komt op dit bedrag door te stellen dat wanneer hij niet op staande voet ontslagen zou zijn, zijn werkgever een disfunctioneringstraject zou zijn gestart. Hiervoor zou volgens de werknemer ongeveer zes maanden zijn uitgetrokken. Had hij daarna nog niet naar tevredenheid gefunctioneerd, dan zou zijn arbeidsovereenkomst na een opzegtermijn van twee maanden op zijn vroegst zijn geëindigd op 1 augustus 2021. De gevraagde billijke vergoeding is het bedrag dat hij zou hebben verdiend tussen 29 december 2020 en 1 augustus 2021.

De kantonrechter vindt ook dat een billijke vergoeding op zijn plek is. Hij sluit echter niet zijn ogen voor het feit dat de werknemer ook wel het een en ander te verwijten valt. Had de werkgever verzocht om ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens het vele te laat komen van de werknemer, dan had de kantonrechter hoogstwaarschijnlijk in zijn voordeel geoordeeld. De werknemer had immers al meerdere (officiële) waarschuwingen gekregen. Een verbetertraject was daarbij niet nodig geweest.

De billijke vergoeding wordt daarom gematigd tot € 7500 bruto. De transitievergoeding en de gefixeerde schadevergoeding worden daarvan afgetrokken. Per saldo krijgt de werknemer daarom een billijke vergoeding van € 5750 bruto.

De werkgever moet de proceskosten betalen.

Rechtbank Den Haag | ECLI:NL:RBDHA:2021:4129

Bron: PW.nieuwsbrief